FAQ Hoofdstuk 4

 
In paragraaf 4.1.1 worden de eisen aan houten steigerdelen omschreven. Hierin wordt met name gesproken over gekramde steigerplanken en de eisen waaraan deze dienen te voldoen. Vervolgens wordt benoemd "Andere systemen om scheuren en vervorming te voorkomen mogen slechts worden toegepast nadat ze zich in de praktijk hebben bewezen. Maar er moet wel worden voldaan aan de beschreven materiaaleisen". In de praktijk komen ook gebande technieken voor. Het middel heiligt het doel (namelijk voorkomen inscheuren van planken).Echter voldoet dit niet aan de eisen (bijv. afstand tot uiteinde plank). In hoeverre is een gebande steigerplank een bewezen systeem?
Bij het ontwikkelen van de Richtlijn Steigers is ook een werkgroep bezig geweest met het hoofdstuk betreffende steigerdelen. In die tijd (negentiger jaren vorige eeuw) waren de meeste steigerdelen geband. Doel van de band was en is het voorkomen van inscheuren. Een grote klacht van de branche was toen de kans op verwonding door de bandjes die snel los kwamen en scherp waren. Er is vervolgens gezocht naar een alternatief en dat zijn de krammen geworden. Deze vorm van het voorkomen van scheuren is door de commissie van Richtlijn Steigers overgenomen en opgenomen in de Richtlijn. De commissie adviseert dan ook het gebruik en de toepassing van gekramde steigerdelen. 
In een bouwkuip waar continue bemaling is staat een trappentoren. De vraag is moet deze trappentoren geaard zijn?
Wij volgen hierbij de Arbo wet. Dus als er een potentieel gevaar is, dient de steiger geaard te worden door een daartoe bevoegde installateur. Omdat van hieruit niet bepaald kan worden waar de installatie zich bevindt [buiten of binnen de bouwkuip] en of de installatie aangesloten is op een generator of stroomnet, zal men de Arbo wet moeten volgen. Dus als de installatie van zich zelf niet is geaard dan moeten er maatregelen genomen worden en dient de steiger geaard te worden.
 
Kunt u aangeven hoe er exact gemeten moet worden als een steiger opgesteld is en geaard?
Aarding is indirect niet te meten. Wat je doet met aarding is er voor te zorgen dat er geen potentiaal verschil is tussen voedingspunt [aansluiting bv stroomkasten] en het metaal van de steiger. Het is hetzelfde als bij een aansluiting van een badkuip, waar ook die badkuip is aangesloten op de aardleiding van de installatie. Omdat een steiger uit vele losse en halfvasten onderdelen bestaat, zal er over de gehele steiger vele verschillende waarden zijn. Belangrijk is wel dat de aanwezige aardlekschakelaars, van de installaties die op het steiger aanwezig zijn, regelmatig worden gecontroleerd.

Wat is de minimale maat voor balustradehoogte aan de zijkanten van het werkplatform?
Leuningen zijn altijd minimaal 1.00 meter hoog. Zie Richtlijn Steigers  4.3.1
 
Hoeveel dwarsliggers  zijn er nodig om de stabiliteit te garanderen? Op welke afstand moeten die zitten?
Stabiliteit van een steiger wordt mede geborgd door het toepassen van diagonalen. Hoofdstuk 4.2 helpt u bij de beoordeling in hoofdlijnen hierover. Let wel op dat op een tekening door de ontwerper is aangegeven waar in zijn ontwerp de diagonalen geplaatst moeten worden aangebracht.

Wanneer kan ik werken op een steiger uit veiligheid overwegingen stop zetten?
Als U constateert dat er een tekortkoming is ontstaan. Voorbeelden hiervan zijn: weggehaalde verankering, steigervloeren, leuningen. Met ander woorden als het steiger niet meer veilig is om te betreden cq om op te werken.
 
Hoe hoog moet een steiger worden geplaatst ten aanzien van de goothoogte bij een woning?
Dit ligt aan de werkzaamheden die aan of rondom de goot moeten worden uitgevoerd. Praktisch is het, als er veel werkzaamheden aan de goot moeten worden verricht, om de werkvloer zodanig te maken dat er makkelijk kan worden gewerkt. Als de metselsteiger is uitgevoerd met een slaghoogte van 2.20 m of 2.50 m, wordt daarmede ook de slaghoogte bij de goot bepaald. Bijvoorbeeld grondslag 0.30, 1ste slag 2.20 + 0.30 = 2.50, 2de slag 2.50 + 2.20 = 4.70. Goothoogte 5,40 dan is de werkvloer automatisch dus maar
0,70 m onder goot. Wordt de steiger uitgevoerd met een slaghoogte van 2,50 m dan zal de werkvloer zich maar 0,10 m onder de goot bevinden.
Houd wel rekening met de valhoogte als er ook dak werkzaamheden worden gedaan. Zie hiervoor ook hoofdstuk 4.3.2.
Wanneer ik alleen bij de gevel werkzaamheden wil uitvoeren en hierom niet op het dak hoef te zijn, dien ik dan alsnog de richtlijn toe te passen die geldt voor de hellingshoek van het dak t.o.v. hoogste steigervloer?
De Richtlijn Steigers is op elke steiger van toepassing. Echter is het van belang in hoeverre het een eenvoudige of complexere steiger betreft. In beide gevallen is ook een certificaat voor monteur respectievelijk 1e monteur noodzakelijk. Spreekt u hier over een aluminium rolsteiger, dan volgt u voor de opbouw de instructies van de leverancier.

Ik heb een vraag met betrekking tot het plaatsen van een steigerconstructie. Ik zoek naar een oplossing om voor het creeren van een vluchtroute in een kelder (tot <13 m hoog). Hiervoor is de optie genoemd het plaatsen van een steigerconstructie (normale constructie, soort trappenhuis). Mag een steigerconstructie als definitieve oplossing geplaatst worden?

De geschetste situatie is moeilijk in te schatten maar het plaatsen van een steigerconstructie als vluchtroute zou kunnen. Er zal dan wel rekening ermee moeten worden gehouden dat deze constructie conform de richtlijn frequent gekeurd dient te worden. Daarnaast de aanbeveling om bij vluchtroutes gebruik te maken van trappenhuizen en niet met gewone ladders te werken. Immers moet een vluchtroute makkelijk te volgen en te belopen zijn.  Trappenhuizen hebben de juiste opgang en zijn de traptredes in een gangbare maat gemaakt. Daarnaast rekening houden met markering/belichting van de vluchtroute. Voor de rest zou het geen probleem hoeven te zijn.
 
Als steigerbouwers werken op een steiger in opbouw, mogen zij dan op steigerliggers lopen? Als zij gebruik maken van steigerroosters om tijdelijk op te staan zodat een bovenliggend vloer of steigerdelen gemonteerd kunnen worden, hoeveel roosters zijn er dan nodig om op te staan? Minimaal 2?
Een steigermonteur die in een steiger staat die in opbouw is (of gedemonteerd wordt) moet op die manier bouwen dat hij binnen een collectieve randbeveiliging staat. Op het moment dat dit niet kan zal hij zich moeten beveiligen met een PBM (valgordel/harnas). Of hij al dan niet over ligger mag lopen maakt dan niet zoveel uit. Immers moet hij in die situatie aangepikt zijn. Dus die vraag kan met ja beantwoord worden mits hij aangelijnd is. Praktijk wijst uit dat dit aangelijnd niet echt praktisch is. Het is echter gebruikelijk dat een steigermonteur gebruik maakt van een hulpvloer van ten minste drie planken breed (60cm) of twee roosters die ook 60 cm breed zijn. Dit maakt het bouwen eenvoudiger en de kans op vallen reduceert drastisch. Met deze methodiek elimineer je het lopen op liggers nagenoeg helemaal.
 

Hoofdstuk 4.7 van de richtlijn steigers zegt dat plaatselijk tijdens werkzaamheden de opening tussen werkvloer en object 30 cm mag betreffen. Wat wil plaatselijk zeggen in deze context? En geldt deze regelgeving ook in Duitsland? Welke duitse richtlijn kan ik hiervoor gebruiken?
Plaatselijk is de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Indien de plek wordt verlaten of na werkzaamheden wil men de afstand van 30 cm handhaven dient een leuning geplaatst te worden. Zoals in RS wordt vermeld is een heupleuning dan voldoende. In Duitsland gelden net als in Nederland de EU regelgeving over Veiligheid en Gezondheid. Deze wet heeft een Kaderrichtlijn en een Productrichtlijn.  Nederland heeft dit verwerkt in Arbowet waar ook de Richtlijn Steigers onder valt. Voor  Duitsland zijn de product- en kaderichtlijn verwerkt en aangescherpt in de TUV regels.

 
In de Richtlijn Steigers: 'vanaf 24 meter hoogte minimaal een trappentoren of een ladderopgang gecombineerd met een personenlift'. Ik interpreteer deze zin als volgt: Vanaf 24 meter moet sowieso een trappentoren aanwezig zijn waarbij een personenlift niet hoeft en indien er wordt gekozen voor een ladderopgang in plaats van een trappentoren, moet er een personenlift aanwezig zijn. Nu is er verwarring over, omdat anderen de zin anders interpreteren en zeggen dat er zowel bij de trappentoren alsmede de ladderopgang een personenlift aanwezig moet zijn. Wat is hier correct?
De tweede interpretatie is de juiste. Vanaf 24 m. is een personenlift verplicht, terwijl er ook een trappentoren of ladderopgang aanwezig moet zijn. De lift alleen al om ergonomische redenen en de trappentoren of ladderopgang alleen al als vluchtweg. In de alinea volgend op het citaat dat u geeft ('Een belangrijke afweging .... enz.') staat dat er meer en andere redenen kunnen zijn.

 

Bij tekening 4.4 staat een ladderhuis getekend, met een drie dubbele leuning. Waarom is er ter plaatse van de ladder niet nog een stukje leuning? Hier is immers een gat van ongeveer een meter waar men nog doorheen kan vallen?
De tekening is schematisch bedoeld.


Wie mag formeel eenvoudige wijzigingen, zoals het verplaatsen van consoles bij metselsteigers, uitvoeren?
Niet constructieve gedeelten mogen gewijzigd worden. Als de wijziging leidt tot een onveilige situatie mag de steiger niet gewijzigd worden. Consoles worden door de metselaar verplaatst.


Bij het tweede aandachtsstreepje in paragraaf 4.4.1 Ladders en ladderopgangen wordt een draaikoppeling geadviseerd voor het vastzetten van een ladder. Dat kan volgens mij in alle gevallen met een gewone kruiskoppeling.
Dit is alleen als voorbeeld aangegeven. De kruiskoppeling is om buizen haaks met elkaar te verbinden. Dat kan als bij de externe ladder de ligger of korteling wordt doorgestoken (bovenzijde ladder). De ladder dient op 3 punten vast te zitten zodat aan de onderzijde een kruiskoppeling nodig is.


Binnen onze organisatie gebruikt onze steigerbouwer (externe partij) als steigervloeren, naast hout en staal, ook aluminium vloerdelen voorzien van een hout-/kunststofachtig loopvlak. In paragraaf 4.1 van de richtlijn steigers kom ik hier geen informatie over tegen. De aluminium vloerdelen lijken erg op de vloerdelen die ook bij aluminium rolsteigers worden gebruikt.
Wij vermoeden dat het door u geschetste probleem van doen heeft een steigervloer die gebruikt wordt in een Framesteiger, bijvoorbeeld van het merk Layher. Indien dat het geval is, kunt u verder lezen, indien dat niet het geval is, verzoeken wij u de setting van uw probleem ons nader te omschrijven. In Hoofdstuk 2 van de Richtlijn Steigers staat de definitie van een framesteiger met vloerelementen weergegeven. Dit framesteiger is in eerste fase niet meegenomen in de Richtlijn Steigers. Let u wel op dat deze steigers vallen onder belasting klasse 2 zoals omschreven staat op in hoofdstuk 3.


In de Richtlijn Steigers staat een maximale afstand van 30 cm. In de praktijk worden wij regelmatig geconfronteerd dat men dit teveel vindt. Kunt u hier duidelijkheid over verschaffen?
Ja. Grosso modo is uw motto: zoveel mogelijk dichtleggen.


Voor doorstrijken wordt de afstand tot de gevel groter gehouden, echter, er kunnen maar 3 planken op een schuifkorteling. Vraag om structurele oplossing: zijn er bijvoorbeeld langere schuifkortelingen beschikbaar, waar meer planken op passen of is een andere oplossing in ontwikkeling?
Als Commissie Richtlijn Steigers hebben we daar reeds een voorstel voor gedaan. Bij de uitwerking van het A-blad Metselen van Arbouw is veelvuldig contact geweest met de beroepsgroep metselen. Een voorstel voor de steigersamenstelling bij toepassing van Pointmaster is uitgewerkt en opgenomen in het A-blad (dit in nauwe samenwerking met de leveranciers, SZW/AI en de montagebedrijven). De voorziene oplossing zal te zijner tijd worden opgenomen in de Richtlijn Steigers.

Uitwerking
De staanderafstand tot de gevel, bij montage, wordt vergroot van 750 naar 850 mm. Er is een hulpmiddel ontwikkeld dat de uitschuifkorteling kan verlengen met de breedte van een plank. Deze oplossing stond -tijdens de KOMAT Themadag (d.d. 14-09-2011 gehouden) in Lelystad- opgesteld en wordt weergegeven in de schets van de firma ROJO als oplossing "Spouw 140 [PR]".
Deze oplossing is besproken met de heer Frits Wolfswinkel (van SZW/AI) omdat de afstand tot de gevel >150 mm wordt. In het aangepaste inspectiemodule Steigers wordt hier een oplossing aangedragen die al wordt toegepast bij handhaving door SZW/AI. Het komt erop neer dat de afstand groter dan 150 mm mag zijn tijdens de werkzaamheden. Let wel op dat de onderliggende werkvloer ook de nodige aandacht verdient.

Citaat uit de aangepaste inspectiemodule module Steigergebruik (gedateerd 23-09-2011):
1.1.2 Aansluiting werkvloeren op gevel
Inspectienoot Gevelaansluiting Pointmaster - Door KOMAT/VSB is naar voren gebracht dat bij toepassing van het Pointmaster voegsysteem de afstand tussen gerealiseerd metselwerk en steigervloer 200 mm moet zijn. Omdat voor een onberispelijk resultaat de bijgehorende 'roller' tussen de metselprofielen en het metselwerk moet worden doorgetrokken. Om ruimte te scheppen voor de gestapelde metselprofielen moet de steiger(console)vloer 50 mm extra worden teruggetrokken. Dit kan dus opgevat worden als de technische reden die een opening tot ca 200 mm legitimeert.


Is het wettelijk verplicht (bijv. als arbeidsinspectie komt controleren) om bij alle toegangen vanaf een ladder naar de (werk)vloer een draaibaar hekje te gebruiken? Of is dit alleen nodig bij ladderopgang voor eerste slag? Ik heb in de richtlijn gekeken maar hier staat dus in “bijvoorbeeld d.m.v. een draaibaar hekje”? En aan welke eisen dient een draaibaar hekje te voldoen? Is dit dan een verlengde van het normale leuningwerk van steiger (leuning/tussenleuning en kantplank)?
Er dient een afzetting gemaakt te worden, zodat de werknemer op hoogte niet in een open trappen- of laddergat kan vallen. Dit kan onder andere door het toepassen van een hekje, maar de beveiliging tegen vallen kan ook andere vormen aannemen. Essentie ervan: valgevaar voorkomen. Hoe u het verder doet, laat de RS onbesproken, evident is dat de constructie van het voorbeeld, het draaihekje dus, deugdelijk moet zijn. De sluiting ervan eveneens. Het draaihekje kunt u inderdaad bestempelen als voortzetting van het normale leuningwerk van een steiger. Op de tussenverdiepingen wordt het valgevaar opgevangen door de doorstekende van de ladder ter lengte van 1,0 m. Op de bovenste slag dienen maatregelen te zijn genomen die de gebruiker hierop alert maken (dat hij op de bovenste vloer is aanbeland).
 

Een initiatief van

VSB Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven
www. www.vsbnetwerk.nl

Bouwend Nederland
www.bouwendnederland.nl

Printversie

Geïnteresseerd in een geprinte versie? Bekijk de informatie en bestel uw geprinte versie via ons online bestelformulier. 

Disclaimer

Bij de samenstelling van deze uitgave is door de Commissie Richtlijn Steigers en de instellingen en bedrijven die daaraan hebben meegewerkt, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht. Door de Commissie en meewerkende derden wordt echter geen aansprakelijkheid aanvaard indien gegevens uit deze uitgave niet mochten leiden tot het bedoelde resultaat of aanleiding mochten geven tot enigerlei schade.
U bevindt zich hier: Home Inhoud Richtlijn 4. Uitvoering van de steiger FAQ Hoofdstuk 4